Bianca de Vrind

Zeer korte verhalen (250 tot 750 woorden)

Deze verhalen heb ik geschreven voor de schrijversforums van Sweek en Schrijven Online. Het betreft zowel fictie als non-fictie. Er is ook een verhaal bij dat is verschenen in een bundel van Schrijverspunt in het kader van een sprookjesschrijfwedstrijd en een verhaal dat ik schreef voor een wedstrijd van Schrijven Online, waarbij ik op de longlist stond.

Opgehaald

Dit verhaal stond op de longlijst van De Bruiloft, de jaarlijke schrijfwedstrijd van Schrijven Online

Ze had er niets van begrepen. Helemaal niets. Het had een normale laatste schooldag geleken, een middag die net zo langzaam voorbij was getrokken als een eenzame wolk op een windloze dag. Ze had de wijzers van de klok het laatste uur met haar ogen vooruit geduwd. Het zou vakantie zijn en ze zou lekker vaak naar Isa kunnen gaan, haar beste vriendin. Ze kon haar gedachten er niet vanaf houden, want Isa woonde in dezelfde straat als. . .En toen stonden daar ineens haar ouders op het schoolplein. Papa met een ernstig gezicht en mama half achter hem, starend naar de stoeptegels alsof ze voor haar ogen in brand waren gevlogen. Isa had het nog eerder gezien dan zij en was snel weggefietst.

Nada had zich misselijk gevoeld tijdens de rit naar het vliegveld. Waarom hadden ze haar niet van te voren verteld dat ze mee moest en wie zou er nu voor kleine Ahmed zorgen in de zomervakantie? Dat zou zij toch doen? Waren ze iets te weten gekomen? De afgelopen tijd was de lucht in huis zo zwaar geweest als in slaap vallen met je hoofd onder een wollen deken. Ze moest haar hoofddoek dragen, ze moest zwijgen aan tafel, meehelpen in de keuken. Haar kleine broertje had het ook gevoeld. Dat had ze gezien aan de manier waarop hij steeds onder de tafel was gekropen om met zijn autootjes te spelen. Met ferme bewegingen zette hij ze in zijn parkeergarage. Allemaal erin, allemaal er weer uit, en zo maar door. Ze miste hem, zijn onbevangen gezichtje, zijn plakkerige knuistjes waar het babyvet nog als kussentjes bovenop lag. Ze miste hem, zelfs zijn gehuil en zijn gegil als hij naar bed moest miste ze.

Zou zij in Nederland al gemist worden? School leek wel iets uit een vorig leven, ook al had ze daar een paar weken terug nog de minuten af zitten tellen. Nu zat Nada eenzaam op een stoel en keek naar de mensen die zachtjes met elkaar zaten te praten. De ene groep aan de ene kant van het bedompte zaaltje en de andere groep aan de andere kant. Twee gescheiden werelden en zij als trofee in het midden. Niemand danste. Ze had beloofd dat ze niet zou gaan huilen. Eens zou ze het begrijpen, dat het alleen maar uit liefde was. Pure liefde. Echt. Maar wat ze vandaag had gezien was niet echt. Het ging over iemand anders. Zij was nog te jong. Morgen namen papa en mama haar heus wel weer mee naar huis. Ze had haar lesje geleerd. Ze hoefde alleen maar te zeggen dat het haar speet, voor papa op de knieën te vallen, het voorhoofd eerbiedig tegen de grond.

Nu kon het nog.

In plaats daarvan voelde hoe haar eigen trillende hand de sluier verder voor haar gezicht trok. Een stille traan verbrak haar belofte.



Prinses Gidraatein

Er was eens een beeldschone, maar onaardige prinses, die haar schoonheid belangrijker vond dan wie of wat dan ook. Ze was zo onaardig, dat de koning haar voor straf een lelijke naam gaf die ze voor altijd moest dragen op een zegelring om haar vinger. Prinses Nietaardig stond erop. Maar de prinses draaide de ring altijd met de tekst naar beneden en ze gebood iedereen in het rijk om haar naam voortaan achterstevoren uit te spreken: Prinses Gidraatein.

Op een dag wandelde prinses Gidraatein over de paadjes van de kasteeltuin. De wind streelde haar glanzende krullen en blies fris in haar snoezige wipneusje. Haar zijden jurk ritselde en geurde naar viooltjeszeep. Met haar lakschoentjes stampte ze de prachtige tere vlinders dood op de grond, want stel je voor dat iemand ze zou zien en zou vinden dat ze mooier waren dan zij!

Naast het pad zat een kaboutermeisje vast in de doorns van een rozenstruik. Haar knietje bloedde en kaboutertraantjes biggelden langs haar snoezige kabouterneusje. De prinses dacht er niet over om het wezentje te helpen, want ze wilde geen vlekken op haar jurk. Ze pakte haar cape en gooide die over de rozenstruik. Stel je voor dat iemand anders het kaboutermeisje zou aantreffen en zou vinden dat ze schattiger was dan zij?

Prinses Gidraatein wandelde verder over de paadjes van de kasteeltuin. Ze trapte tegen de geurige bloemen langs het pad, zodat ze knakten en in het hoge gras verdwenen. Stel je voor dat iemand ze zou ruiken en zou vinden dat ze lekkerder roken dan zij!

In het hoge gras naast het pad stond een meisje. Ze droeg een vuile rafelige jurk, liep op blote voeten en haar haren hingen slierterig om haar wrattige gezichtje. Ze had haar armen vol bloemen. Ze fluisterde:"Dit zijn de bloemen van de ware schoonheid. Ik heb ze geplukt voor degene die het geheim van de ware schoonheid heeft ontdekt." Gidraatein keek het meisje op haar alleronaardigst aan en het arme kind rende er vandoor.

Nog een beetje boos, wandelde prinses Gidraatein verder over de paadjes van de kasteeltuin. Ze zag een enorm bloembed voor zich. De kleurige bloemetjes waren precies zo geplant dat ze een schitterend schilderij van het kasteel vormden. De prinses trok de plantjes uit en gooide ze door elkaar. Stel je voor dat iemand er langs liep en zou vinden dat het bloembed kunstiger was dan zij!

Plotseling hoorde ze een stem roepen: "Gidraatein, Gidraateeeiiiin!" Het was een geheimzinnige stem. Het was de fluisterende stem van een meisje. Voetje voor voetje ging ze op het geluid af. Ze kwam bij een vijver. Ademloos hurkte ze neer bij de oever en luisterde of ze de stem weer hoorde. De stem fluisterde:

"Door enkel je uiterlijk schoon te beminnen, ben je lelijk en wrattig van binnen. Door aan je uiterlijke wratten te wennen, Zul je de ware schoonheid leren kennen."

Uren later kwam de prinses aan bij het kasteel. Haar haren hingen slierterig langs haar wrattige gezicht. Haar jurk was kapot en vies en ze was haar schoenen kwijtgeraakt. Alleen aan haar zegelring kon je nog zien dat ze de prinses was. Onderweg had ze de uitgetrokken plantjes weer netjes terug gezet in het bloembed. Daarna had ze voorzichtig het kaboutertje losgemaakt uit de rozenstruik, een rozenblaadje op haar knietje gelegd en haar traantjes weggeveegd. Tot slot had ze alle dode vlinders begraven en ze had de geurige bloemen die ze had omgetrapt op hun grafjes gelegd. Het meisje met de bloemen had ze niet meer kunnen vinden.

Plotseling hoorde ze vlak achter zich een stem, een geheimzinnige stem, de fluisterende stem van een meisje. Prinses Gidraatein draaide zich om en zag het lelijke meisje met de bloemen van de ware schoonheid. Het meisje duwde de bloemen in de armen van prinses Gidraatein en rende er vandoor.

In de spiegel in haar slaapkamer zag Gidraatein dat haar gezicht weer mooi glad was. En ze zag nog iets: de zegelring leek wel nieuw. Ze keek nog eens goed: Er stond niet meer Prinses Nietaardig, maar: Prinses Aardig.

Prinses Aardig waste zich schoon tot ze weer naar viooltjes rook, trok een nieuwe jurk aan en gaf een groot feest met voor iedereen gratis eten en drinken en gratis viooltjeszeep. De bloemen van de ware schoonheid stonden in een grote vaas middenin de feestzaal.

En nooit meer deed de prinses nog onaardig, want ze had eindelijk ontdekt: Ware schoonheid zit van binnen!



Tamar

Als het leven een optelsom van dagen is, dan is elke zinloze dag gedeeltelijke zelfmoord. Tamar scheurde het blaadje uit de scheurkalender en schoof hem onder een magneet op de koelkast. Er hingen er nog ontelbaar veel meer, een collage van haar leven. Sommige dagen waren ondergeschoven geraakt door andere, maar de beste hield ze bovenop en weggooien deed ze er geen. Zou vandaag de moeite waard zijn?

Ze liep naar haar werkkamer, hing haar zijden kamerjas over de barkruk en ging uitdagend voor het raam staan. Ze tikte op het glas en wenkte naar een buitenlandse zakenman. Die betalen goed en zijn snel klaar. Jammer genoeg liep hij haastig door, alsof hij haar niet had gezien. Dat gebeurde de laatste tijd steeds vaker. Straks zou ze haar raam nog moeten afstaan.

Als vanuit het niets kwam dat meisje tegenover haar staan. Zo bleek als een spookverschijning, haar ogen te groot voor haar smalle gezicht en haar lichaam te tenger voor haar lengte. Ze staarden elkaar aan door het glas als in een spiegel. Tamar liet haar binnen en snoof haar begeestering in zich op. Het schoot als kristal door haar zenuwbanen en acteerde haar de rol in die ze moest spelen. Deze dag was alvast geslaagd. Zoals het meisje was verschenen, verdween ze die dag weer en meteen miste Tamar haar.

De volgende dagen gingen de zaken beter, al werden de verdiensten lager. Bijna elke werkshift verscheen opnieuw het meisje in de spiegeling van het raam, elke dag bleker en beniger. Tamar liet haar steeds vaker binnen. Ze had met haar te doen. In feite waren ze er allebei even ellendig aan toe, beiden leverden ze genot tegen een prijs. Het dodelijk zieke meisje verbleef uiteindelijk permanent bij Tamar. Met elke dag die ze samenwerkten, verdwenen er blaadjes van de koelkast en ook uit de scheurkalender, dagen die nog moesten komen. Toekomst en verleden scheurden af en het heden raakte flinterdun.

Toen Tamar werd gevonden was ze alleen. Haar lichaam uitgemergeld en haar neusvleugels bebloed. Op haar bed de lege kaft van een scheurkalender.



Rokjesdag

"Als je niet onmiddellijk een rok aan trekt, ga je niet mee!" riep mijn moeder naar boven.

"Goed, dan ga ik toch niet mee.- antwoordde ik vanachter mijn bureau."

"Maar ik kan daar toch niet aankomen zonder jou?"

"Jawel hoor, zeg je toch gewoon dat ik te veel huiswerk heb?"

"Nee, dat kan niet. Het is zondag. Je gaat mee."

"Prima"

"Trek je dan wel een rok aan?"

"Nee, ik hou gewoon mijn broek aan. Ik zou niet weten wat er mis mee is."

Er was geen tijd meer en even later stapten we haastig in de auto. Een zwijgende grafstemming walmde me tegen het gezicht. Ik had me nog nooit verzet tegen de strikte religieuze kledingvoorkeur van mijn opa en oma en vond het een kleine moeite om eraan te houden als zij dat zo op prijs stelden. Maar vandaag niet. Deze diepzwarte Levi broek was mijn trots, mijn eerste aankoop alleen, van mijn allereerste kleedgeld. Het moest kunnen.

Oma deed open. Ze zag het meteen en bevroor, de deurknop nog in haar hand en haar blik gefixeerd op mijn mannenkledij. Mijn moeder begon hulpeloos verontschuldigingen te schetteren, waarmee de stilte nog benauwender werd. Daar kwam opa aangebeend. Meestal bleef hij in de woonkamer om de visite daar te ontvangen, dus het was bittere ernst met de situatie. Mijn grote statige opa, een man met gezag, bij wie de antieke Statenvertaling met zilverslag een prominente plaats innam in huis en die als zendeling tot in Papua Nieuw Guinea was geweest. Als hij de zegen over het brood uitsprak, hield iedereen het hoofd eerbiedig gebogen. In één oogopslag had hij de situatie bij de voordeur getaxeerd en wist hij wat de juiste spreuk was:"Oh, wat heb jij een mooie broek aan!"

En het was alzo.



Stoffeltje

"Mag ik aan u voorstellen: Stoffeltje, onze huisspin!" Er klinkt applaus als het jonge grietje de forse vogelspin omhoog houdt. Ik zit achteraan, maar zie toch dat hij harig is en een paar flinke gifklauwen aan zijn kop heeft. Ik denk terug aan toen we nog in Brazilië woonden en er ineens net zo&aposn vogelspin binnen sloop onder de deur door, onze enige deur.

"Stoffeltje is heel rustig en onschuldig." Ze zet het monster op de grond en heel langzaam begint het poot voor poot vooruit te klauwen. Vijf jaar geleden pakte mijn man een beslagkom van tafel en sloop ermee op onze spin af. "Pas op, straks springt hij je aan," fluisterde ik, het beest niet uit het oog verliezend.

"Zoals u ziet beweegt Stoffeltje maar heel langzaam. En ze kan wel tien centimeter springen" gaat het meisje verder. Tegelijkertijd hoor ik weer de harde plof waarmee mijn man sneller dan het licht de kom over het beest heen smeet. Een harig pootje bleef er stuiptrekkend naast liggen.

Het meisje pakt de spin op, zonder handschoenen zie ik nu pas. "Ik kan veel harder bijten dan zij. En het gif is minder sterk dan een bijensteek." Ik voel me nu toch wel schuldig tegenover onze arme gehavende spin van toen.

"Wie durft haar vast te houden?" Ik steek meteen mijn hand op en mag naar voren komen. Mijn hand trilt als ik hem op houd. Wat heb ik nu weer gedaan? "Weet je het zeker?" vraagt het meisje bezorgd. Ik knik en concentreer me op mijn ademhaling. Ze legt de spin op mijn zweterige hand. Het voelt een beetje pluizig en een beetje plakkerig en de pootjes duwen zachtjes in mijn handpalm. Het is eigenlijk net een pasgeboren kuikentje. Bijna wil ik gaan huilen.



Vierde Fluit

Een blauw schijnsel weerkaatst in het mondstuk van de dwarsfluit die ademloos op mijn schoot ligt. Alweer een vierde fluitpartij in een Sjostakovich Symfonie. Om me heen klinken snerpende explosies van doodsangst, aanzwellende meeslependheid en intense heimwee. Geen noot heb ik nog gespeeld en ik ben nu al uitgeput. Is het echte leven al niet huiveringwekkend genoeg?

Ik bestudeer de druk vibrerende en blazende instrumenten om mij heen. Ik verdwaal in het slakkenhuis van een hoorn, tril mee met de snaren van een contrabas, zwem door de klank van de het gedweeë strijkvee en bots tegen de brutale klank van een hobo op, die met de eerste fluit ruziet om de mooiste solo. Mijn blik blijft rusten op het losse blaadje op mijn lessenaar, vol lege notenbalken, betekenisloze tempoaanduidingen en nietszeggende dynamische tekens. Mijn feestje begint pas onderaan de pagina en zal van korte duur zijn. Drie staccatonoten met een crescendoteken eronder. Ik heb ze demonstratief omcirkeld met een neonblauwe markeerstift, want je zal ze maar net missen. Terwijl ik ernaar staar kruipen ze langzaam in elkaar tot iets dat ik mij niet wil herinneren.

Met een schok schiet ik overeind. Heb ik zitten slapen? Is mijn beurt al voorbij? Plotseling kan ik het niet langer uithouden. Mijn longen knappen bijna van de opgekropte spanning. Ik pak de fluit, zet hem tegen mijn mond en blaas mijn ziel eruit. Het is oorlog. Alles moet kapot.

Het orkest valt stil. Eenzaam liggen de blauwe staccato&aposs op de grond.



Vogelkak

Tevreden vloog het vogeltje door de kruinen van het loofbos. Hij was blij dat hij een vogeltje was, blij dat de zon scheen, dat de kleur groen bestond en dat er daar lekker veel van was om hem heen. Hij at zijn kleurige buikje vol met insecten en besjes en dronk van de dauwdruppels op de bladeren. Hij had verder niets nodig, echt helemaal niets. Ook daar was hij blij om. Van blijdschap maakte hij een looping. Toen voelde hij zijn darmpjes rommelen. Hij moest een poepje doen. "Ook dat werkt allemaal goed bij mij", tjilpte het vogeltje trots tegen zichzelf, en hij liet in volle vlucht een keurige klodder gaan. Met een delicaat plonsje landde het kakje in het water onder hem. Een voltreffer. Het vogeltje cirkelde nog wat boven het water om de kringen die hij erin had veroorzaakt te kunnen bekijken. Hij hield van de kringen die zijn poepjes maakten als ze in de ven vielen.

Plotseling kwam er een grote regenboogkleurige kop omhoog uit het water. Het was een vissenkop. Zo&aposn vis had het vogeltje nog nooit gezien, dat moest hij toch even van dichtbij bekijken. Hij landde op een tak op veilige afstand en wachtte af of er nog iets spannends zou gaan gebeuren.

"Ik ben een tovervis,"zei de vissenkop. "Omdat je mij wakker hebt gemaakt, mag je een wens doen. Eén wens maar. Denk dus goed na."

Maar het vogeltje had niets te wensen. Ineens voelde hij zich een klein beetje minder blij.





Geïnteresseerd?

Neem contact op of deel deze pagina met anderen

© 2019 Bianca de Vrind-Zegers contact