Bianca de Vrind

Korte verhalen (1000 tot 5000 woorden)

Op deze pagina kunt u iets langere verhalen van mijn hand lezen. Het eerste verhaal Kipjes heb ik geschreven voor de doorlopende tweemaandelijkse wedstrijd van Woordenstroom. Ik eindigde als één van de vijf finalisten. Helaas niet gewonnen, maar ikben er toch trots op. Dit is éé van de eerste verhalen op het gebied van fictie die ik heb geschreven, vlak nadat ik mij in het creatieve schrijven was gaan verdiepen en enkele schrijfboeken had doorgespit. Het andere verhaal Het Leonardo effect is echt het eerste verhaal dat ik schreef. Ik heb het verzonnen, maar heb daarbij hongerig gebruik gemaakt van mijn impressies van mensen die ik heb ontmoet tijdens een zomervakantie in Frankrijk. Het verhaal heeft meegedaan aan de Editio Debutantenwedstrijd met rond de 500 inzendingen. Helaas niet gewonnen, noch genomineerd. Toch ben ik er nog steeds blij mee, niet in het minst vanwege de boodschap die ik erin heb verwerkt. Tot slot presenteer ik jullie het verhaal Happy Island, een zeer beeldend verhaal dat ik schreef in het kader van de cursus die ik volgde bij Schrijven Online Akademie, waarop ik zeer positief commentaar heb ontvangen.

Kipjes

Stoer als ze altijd maar moet zijn en stom als ze daarvoor alles moet vinden, is haar dochter dan toch meegegaan naar de kippenboerderij. Enthousiast hangt ze nu over het hek om drie nieuwe kipjes aan te wijzen voor haar papa&aposs verjaardag. Vervuld van vertedering zuigt Hennie dit beeld in zich op, de vlassige blonde paardenstaart die pluizig opwaait, de losse pluk die in haar mondhoek blijft plakken. Zo lijkt ze heel even weer een klein meisje, net zoals zij zelf vroeger was en soms nog. Hennie rilt even bij de gedachte aan de bloederige ravage die ze voor de zomer in het kippenhok had aangetroffen. Gelukkig maar dat Helma die ochtend niet als eerste bij de kippen is gaan kijken!

"Ja deze worden het mam!" Helma kijkt haar moeder met een zilvergebeugelde lach aan. Eigenlijk wil Hennie nu eens andere kippen uitzoeken, maar Helma wil per se weer dezelfde. De kippen die Hennie leuk vindt, zijn volgens Helma geen echte kippen, maar levende decoraties voor in een bejaardentehuis. Grote meid, hoor! Het gaat haar er natuurlijk gewoon om dat alles blijft zoals vroeger, zoals zij het gewend is van toen ze klein was. Een klein bang meisje in het vel van een puber. Hennie kan kiezen: de puber op haar plaats zetten of het kleine meisje in de ogen kijken. Kleine Helma wint en even later gaan er drie piepende barnevelder krielkuikens met hun kop eerst in een kartonnen doos, speciaal meegebracht van thuis. Hennie heeft er van te voren zoveel mogelijk luchtgaatjes in geprikt met een breipen en ze heeft de bodem zorgvuldig bedekt met oude kranten. Onderweg naar de kassa, laat Hennie ook nog een zak met extra voedzaam legmeel op de kar leggen en een enorme zak met beukensnippers voor in het hok. Bij het afrekenen zegt de boer, dat ze over ongeveer zes weken de eerste eieren kunnen verwachten. "Lekker, eigen eitjes!" slist Helma. Eieren, uit die nog maar pas bevederde lijfjes!, denkt Hennie.

Niet uit de doos halen voor ze in hun hok zijn, anders krijgen ze onnodig veel stress, denkt Hennie. Helma heeft de doos de hele weg op schoot gehouden en met zichtbare moeite de verleiding weerstaan om er toch even in te gluren of om er toch even een vinger in te steken. Ze heeft haar moeder wel de hele weg straks in de gaten gehouden, maar dat was wederzijds. Hennie kent haar eigenheimer maar al te goed; onaantastbaar van buiten, van binnen één groot conflict. Zal ik, zal ik niet toch, heel even maar. . . Eindelijk zijn de zachte piepgeluiden verstomd. Ze slapen, de schatjes.

Ze rijden het pad van het huis op, Hennie neemt voorzichtig gas terug in de bochten, en parkeert de auto achteruit op de oprit voor de garagedeur. Hennie wil de doos overnemen van Helma, zodat die hem niet kan laten stoten of vallen met uitstappen. Meteen haalt Helma vinnig uit naar haar moeder: "Kom op mam, het lijken wel kindjes van je!" Ja, dat zal best, maar als er wat mee gebeurt, piept ze wel anders, stoere meid die ze is. Eenmaal uit de auto pakt Hennie de doos alsnog uit de armen van haar dochter en zet hem behoedzaam in de schaduw achter de auto. Met een zwieper tilt ze garagedeur omhoog. Eerst maar de zware zakken voer en snippers uit de achterbak en het hok in orde maken. "En de kippen?" informeert Helma. Hennie kijkt haar indringend aan: "Die laten we even hier staan. Dan zetten we ze straks wel met doos en al in het hok, om eerst te wennen." "Ok", zegt Helma schouderophalend, "Dan ben ik naar Kim, goed?" Die Helma. Ze staat natuurlijk ook te popelen om de nieuwe kipjes te zien rondscharrelen, maar haar vriendinnen mogen vooral niet wachten. "Goed hoor!" mompelt Hennie. "Vind je dat echt niet erg?" roept Helma terwijl ze op haar fiets stapt. "Nee hoor!", roept Hennie haar na, al slepend met de eerste zak.

Ziezo, de klus is geklaard. De zakken zijn gelukkig heel gebleven met verslepen en nu geurt het hok heerlijk naar verse houtsnippers. Eigenlijk toch flauw dat Helma haar niet even heeft geholpen, voordat ze er vandoor ging. Maar zo zijn die pubers nu eenmaal. Goed, nu eerst de auto maar weer binnen zetten. Ze heeft hem vandaag toch niet meer nodig en anders kan Harm er straks niet langs met zijn auto als hij voor zijn verjaardag misschien wat vroeger thuis komt. Bezweet kruipt Hennie achter het stuur en langzaam rijdt ze achteruit door de nauwe doorgang, krampachtig haar blik afwisselend tussen beide zijspiegels. Pas als ze een onbekende hobbel voelt onder de wielen van de auto, dringt het met ontzetting tot haar door dat er iets vreselijk is mis gegaan.

Onderweg naar de boer probeert ze om te stoppen met denken. Ze moet zich concentreren op de weg. Het is akelig stil in de auto. In de achterbak staat de doos met een vuilniszak er omheen tegen het lekken. Ze heeft er niet in durven kijken. Ze is alleen maar zo snel mogelijk weer in de auto gesprongen om terug te kunnen zijn voordat Helma thuis komt. Het arme kind raakt vast helemaal overstuur als ze ontdekt dat de kipjes weg zijn. Een steek gaat plotseling door Hennie heen: het bloed! Misschien is er nog steeds iets van te zien! Hennie had er nog een emmer water overheen willen gooien, maar in haar ontreddering is ze dat vergeten. Arme Helma! Snikkend duwt Hennie het gaspedaal nog wat dieper in.

In tranen legt Hennie aan de boer uit wat er is gebeurd. Zo mensonterend, dat gesnotter bij een wildvreemde. De vrouw van de boer is nu ook thuis en zij schudt haar grijze hoofd, een licht spottende glimlach krult zich om haar vlezige lippen. Het gezicht van de boer blijft knoestig en strak. O zeg iets, denkt Hennie, iets waardoor ik me weer een houding weet te geven. Troost me, word desnoods, of eigenlijk nog liever, boos op me. Terwijl de boer zwijgend blijft staan, loopt de vrouw met Hennie mee naar de auto en haalt de vuilniszak eruit. Ze maakte hem open en kijkt in de doos, terwijl Hennie vol walging haar gezicht afwendt. "Het valt nog mee" zegt de boerin peinzend. Zouden ze nog te redden zijn?, denkt Hennie heel even. Maar de boerin vaagt Hennie&aposs dwaze hoop in één haal weg: ". . .en inderdaad hartstikke dood, mevrouw. Wilt u nieuwe?"

Wilt u nieuwe? Wat een onwerkelijke vraag denkt Hennie achteraf, als ze weer onderweg is naar huis. Alsof levende wezens zomaar te vervangen zijn, alsof ze net een paar aardewerken potten stuk heeft laten vallen. Hoe kunnen deze mensen hier zo nuchter over doen? Ze verkopen toch geen braadkippen? Dit zijn met zorg uitgekozen kippen, jonge kipjes nog, bedoeld om een naam te krijgen. Ze voelt zich nu net zo verscheurd als de lijken in het kippenhok een paar maanden terug, geplet als de doos waarin de nieuwe kippen hadden gezeten. Hoe kan ze ooit weer vrede hebben met de aanblik van de kuikens die ze net weer heeft aangeschaft? Ze werpt een blik op de nieuwe doos. Er komen zachte piepgeluidjes uit. De dode kipjes, die ze weer heeft meegekregen, liggen in de achterbak. "U heeft er per slot van rekening voor betaald, dus ze zijn van u", heeft de boerin nog gezegd.

Hennie steekt de steutel in het slot van de voordeur en draait de sleutel half om. De deur is niet op slot. Is er al iemand thuis? Ze kijkt om. Daar staat Helma&aposs fiets tegen de muur. Zou ze. . . Hennie kijkt naar de plek waar het is gebeurd; er is een klein donker vlekje te zien. Ze stapt naar binnen en hoort dat de televisie hard aan staat. Ze treft haar dochter onderuit gezakt aan op de bank. De openslaande deuren naar de tuin zijn open en kijken uit op het kippenhok, open en leeg. Hennie staat daar als een standbeeld met de doos in haar handen. Helma kijkt naar haar op vanuit de bank: "Hoi Mam," zegt ze, "waar was je nou heen met die beesten? Was er iets mee of zo?"Hennie kreunt iets onverstaanbaars, maar haar dochter is al weer met haar volle aandacht bij de televisie.

De buurman is slager en slacht zijn eigen kippen. Gruwelijk, maar nu heeft Hennie toch maar bij hem aangeklopt. Wat moet je anders doen? Begraven in de tuin zou uiteindelijk toch uitkomen en in de vuilnisbak gooien kan Hennie niet. De buren zijn vriendelijk, lijken zelfs wel blij dat ze bij hen aanklopt. Ze krijgt een kop thee en ondertussen plukt en snijdt de buurman in de keuken alle dierlijke herkenbaarheid bij de lijkjes weg. Als hij klaar is, presenteert hij vol trots een opgemaakte ovenschaal met twee kleine braadkuikens en een mini kipfilet. "Die derde was echt niet meer op te lappen" lacht hij erbij.

"Ha, lekker, kwarteltjes!" roept Harm verheugd als hij de dampende schaal op tafel ziet staan. Ze zien er inderdaad verrukkelijk uit, al zou Hennie er geen hap van nemen. Hoe zal Helma straks reageren? Zal ze het doorhebben? Misschien verdwijnt ze huilend naar haar kamer en wil ze nooit meer met haar moeder praten. Daar is Helma. Ze blijft staan voor de tafel, ziet eerst het bleke gezicht en de roodomrande ogen van haar moeder en kijkt vervolgens lange tijd strak naar de schaal. Harm kijkt vragend van de een naar de ander "Mis ik iets?". Helma bijt op haar wangen en gaat onhandig zitten terwijl ze tegelijkertijd quasi nonchalant een slok cola probeert te nemen. Die proest ze vervolgens hard uit, net niet over de kwarteltjes heen. Dan ziet Hennie het: Helma huilt niet, maar ze lacht, hard en lang. Steeds komt ze wat op adem en dan begint ze weer opnieuw. Ze plast er bijna van in haar broek en gaat gehurkt op de grond zitten. De te jong gesmoorde kipjes op tafel, Harm die daar niets anders dan een maaltijd in ziet, de scheurende lach van haar dochter, die ineens zo heel anders is dan zij, een vreemde bijna. Even wordt het Hennie te veel en zou ze zelf wel in die schaal willen liggen, samen met de kipjes opgegeten worden en verdwijnen.



Het Leonardo effect

Een bankje, een notitieboekje dat precies in mijn kontzak past en de allersimpelste pen. Ik kijk, ik luister, en ik schrijf. Ik lees en schrijf dan verder. Een man zit naast een vrouw. Het is zomer. Warm. Ze zitten in de schaduw en ze zijn op vakantie. Allebei hebben ze een boek, zij eentje over tuinkruiden, hij een groter met het opschrift Leonardo da Vinci. Die is dood, al heel lang. Zijn ideeën zijn omarmd of achterhaald, maar de lezer blaast ze nieuw leven in, alsof hij er zelf naast heeft gestaan en de heer da Vinci dagelijks zijn koffie inschonk en &aposs ochtends voor het daglicht zijn kaars aanstak met lucifers die hij afstreek aan de onderkant van zijn schoen. Of hadden ze die toen nog niet? De lezende man is da Vinci&aposs huisvriend en hij praat en praat maar. De vrouw kan niet meer verder lezen en kijkt voor zich uit, flauwtjes glimlachend en knikkend, af en toe doorvragend. Zo neemt zij de opborrelende woordenstroom van feitenkennis tot zich. Gefascineerd kijk en luister ik toe hoe hij dit voor elkaar krijgt. Als ik over mijn passies spreek, kom ik meestal niet verder dan de tweede zin voordat mijn gespreksobject zich merkbaar gaat vervelen. Wat doet deze man waardoor dat bij hem niet gebeurt? Zijn stem schalt over het gras, weerkaatst op de stoeptegels, ritselt door de bladeren en kietelt op mijn trommelvliezen. Ik noem de man voor het gemak Leonardo en schrijf op wat hij zegt, zoveel woorden als ik kan raken en zoveel concepten als ik kan treffen. Als een gameverslaafde ga ik te werk en alle woorden die me tegemoet vliegen probeer ik te verslaan. Er moet een verklaring zijn voor het Leonardo effect en ik ga die ontdekken.

Een dag later loop ik langs een blonde vrouw met opgestoken krullen. Ze zit op een kruk en ik zie haar rug, omlijst door een rode bloemenjurk. Ze is ingespannen met iets bezig. Schilderen. Een portret. Voor haar zit een vrouw, die haar mysterieus glimlachend aankijkt, haar gladde donkerbruine haar losjes naar voren over een schouder. Leonardo is er ook weer, zegt dat gezichten niet in lijnen te vatten zijn, dat Leonardo da Vinci werkte met vlakken en schaduwen, schetsen en een uiterst gedetailleerd onderzoek naar het onderliggende spierweefsel waarover de huid van het gezicht is gespannen. De blonde vrouw drinkt zijn woorden in. Ze vraagt, hij spreekt. Hij spreekt, zij zwijgt. Ik kan het niet aanhoren, alleen opschrijven, ook al is het niet waar wat hij beweert.

Op een dag staat de blonde vrouw plotseling voor me "Wat zit je toch altijd te schrijven?" vraagt ze. We kijken naar elkaar, ik omhoog, zij omlaag. Ik ontwijk haar ogen. Ogen prikken en maken me in de war, want het is onmogelijk om in beide ogen tegelijk te kijken. Met welk oog moet je dan in welk oog kijken zonder te oogverdrinken in elkaars traanvocht? "Ik schrijf op wat ik zie en hoor, ik lees dat over, en ik orden alles in iets nieuws." antwoord ik. Het kleurige lijnenspel van haar gezicht boeit me, een blozend hart met een goudblonde bloemkelk. "En jij schildert. Ik heb het gezien." De vrouw knikt. "Ik heb het weer opgepakt. Ik doe vooral portretten." Ik raap mijn moed bijeen: "Wat Leonardo. . .wat die man tegen je zei, dat je een gezicht niet in lijnen kunt vatten, is niet waar." Ze kijkt me geamuseerd aan met een ondeugende krulletje om haar rechter mondhoek. "Picasso deed het," zeg ik.

Een mooie middag. Nog steeds vakantie. Ik heb een fijn plekje in de schaduw gevonden aan een houten picknicktafel en heb behalve mijn notitieboekje ook mijn kladversies van verhalen en hoofdstukken en mijn schriften met aantekeningen en gedachten meegenomen. Ik lees en zoek verbanden. In de kantlijnen schrijf ik met een gekleurde pen woorden die in me opkomen, bij elk soort gevoel dat de woorden oproepen gebruik ik een andere kleur. Het is een geconcentreerde klus en er is dan ook voor niemand meer plek aan deze tafel. Dan slentert er iemand langs. Hij blijft tegenover mij stilstaan met zijn blauwgeruite broek bijna tegen het tafelblad. Overal schriften, markeerstiften en gekleurde pennen. "Ben je nakijkwerk van school aan het doen?" Ik kijk op en zie dat het Leonardo is. Zal hij zo meteen zijn geheim aan mij onthullen en daarmee mijn uitgestalde schat aanvullen? "Nee, ik wil schrijver worden," zeg ik. Hij knikt. Of zie ik hem zijn schouders licht ophalen? Hij loopt door terwijl ik nadenk.

Aan het einde van dezelfde middag is daar weer de schilderes. "Ik heb een portret van je gemaakt en ik wil het je laten zien. Je mag het houden als het je aanspreekt." Wat lief! Ik pak het opgespannen canvas ter grootte van een stoeptegel aan en houd het met gestrekte armen voor mijn gezicht. Ik zie een volwassen vrouw, blond en met eenvoudige ferme lijnen olieverf vastgelegd, nauwelijks herkenbaar, maar toch intrigerend. De ogen zijn er uiterst secuur uit gesneden. Terwijl ik ze bekijk zie ik de schilderes. Voor het eerst kijk ik in haar ogen, door mijn portret heen. Ze zijn blauw en eerlijk als de mijne, maar toch anders. Wat is er precies anders aan? Ik denk aan het mysterie van het Leonardo effect en zoek in de lucht met een denkbeeldige markeerstift naar een verband.

Ik loop naar huis met het portret in mijn handen. Terwijl ik door mijn uitgesneden ogen kijk, zie ik mijn pad in een verrassend gedetailleerde pracht voorbij komen. Elke stap geeft een nieuw beeld en een ander lichtspel, allerlei kleurenschakeringen van steen en aarde, bekleed met mos, gegarneerd met doffe plakkaten versteende kauwgom, en zelfs die hebben binnen het kleine kader van de ogen hun eigen zeggingskracht. Dan kom ik een paar harige mannentenen tegen in een zwetende zwarte slipper. Ik kijk langzaam op met het schilderij, kruip als een rups langs zijn borstelige benen omhoog, langs de korte blauwgeruite broekspijp met klepzak, via zijn witte poloshirt, het kraagje, de hals, de welvende onderkin, en dan: een gezicht met ogen die zich onbespied wanen met het canvas tussen ons in. "U heeft gelijk," zeg ik tegen Leonardo, "een gezicht is niet in lijnen te vatten." En ik draai het portret om. We kijken elkaar aan, gevangen in enkele lijnen waaruit de ogen zijn ontsnapt. De ogen, dat zijn wij. Ik zie hem zoals ik hem niet eerder heb gezien, een zwijgende man, die in de open ogen van een schilderij een uitweg heeft gevonden uit zijn eigen feitenportret. En ook ik vind mijn uitweg, via zijn ogen. Ze zijn diep amberbruin.

Happy Island

Vlak voor ik op mijn fiets stapte heb ik een praatje gemaakt met mijn Aziatische buurvrouw. De gekruide geuren van haar keuken dampten uit haar kleding en activeerden de smaakregionen van mijn brein. Binnen in de supermarkt stuurt mijn zinnelijke onderbewustzijn me dan ook meteen verlekkerd op het schap met noedels kroepoek, rijst, ketjap, sambal en boemboe af. Ik pak zomaar wat uit het schap. Het is een pakje instant noodles, Duck flavor. Er zit niet eens echt eend in, zie ik bij de opgave van de ingrediënten. Badeendensmaak dus. Ik moet een beetje lachen om mijn eigen gedachte en zie de mensen al kauwen op het taaie rubber. Meteen schiet me ook een krantenartikel van lang geleden te binnen, over een peuter die na een tsunami was gestrand op een eiland en zich dagenlang in leven had gehouden met dit droge spul dat hij ergens had gevonden. Hoe is het mogelijk! Ik huiver en leg het felgekleurde pakje snel weer terug.

Op zoek naar iets echts om te eten loop ik door in de richting van de eieren. Eieren zijn eieren, maar niet hier. Ze hebben ze in groene kartonnen doosjes, in bruine kartonnen doosjes in grootverpakking van doorzichtig plastic, een hele wand vol. Ik wil graseieren, want ik hou van groen. Er staat een oma met een looprek in de weg dus ik moet me over haar heen buigen om bij mijn eieren te komen. Ik verlies mijn evenwicht en grijp me vast aan het schap. Ik voel iets glibberigs. Iets hards duwt tegen mijn achterhoofd en alles draait. Lig ik op de grond? Ik kijk opzij en zie honderden eierdooiers ronddrijven op hun eigen slijm, hun eierschalen als gebroken trofeeën met zich meetorsend. Er zwemmen ook badeendjes tussendoor. Ze kijken me met een eng geel oog en een ingesmolten plastic glimlach aan. Er is een handje verderop, een klein bruin handje dat zo&aposn eendje wil grijpen. Maar het zijn zakjes noodles. Ik zeg het jongetje dat hij beter op zoek kan gaan naar iets echts om zich mee in leven te houden, net als ik. Hij pakt mijn hand en samen komen we ziek en duizelig overeind. Wat doet mijn hoofd een ongelooflijke pijn. Zouden ze hier ook paracetamol hebben?

Het jongetje is klein, te klein om hier alleen te zijn. Hoe oud zou hij zijn? Hij zit nog niet op school, anders zou hij daar nu ook moeten zijn. Hij heeft zwarte gladde haartjes en ovale oogjes en hij draagt alleen een rode zwembroek. Hij begint tegen me te praten. Hij vertelt dat hij nu eigenlijk al een grote meneer met een bril en een witte jas is, die in deze supermarkt werkt. Maar toen dit gebeurde was hij nog klein. Dat komt namelijk door mijn herinnering, legt hij uit. Zonder de noodles zou hij zijn dood gegaan, heeft die meneer met de bril tegen hem gezegd. Zijn ouders zijn wel verdronken. Daarom moet ik nu zijn moeder zijn en boodschappen voor hem doen. Ik vind het wel leuk. Ik heb nog nooit kinderen gehad, laat staan dat ik ooit boodschappen met ze heb gedaan. Mijn hoofdpijn zakt gelukkig alweer een beetje.

Hij wil eerst naar de conserven. Aandachtig bekijkt hij de ingeblikte groenten, wel tien merken van elke soort. Hij ruikt aan een blikje witte bonen in tomatensaus. Ik ruik ze ook door het glas heen. Ze ruiken zoals ze eruit zien, smeuïg en rood. "Hm, had ik die maar gehad toen ik op dat eiland zat,"verzucht het jongetje. Ik pak van elke soort groente een blik en gooi ze in het mandje aan mijn arm dat een donkere bodem heeft zonder eind. De blikken verdwijnen er in, zodat ik niet meer kan zien welke ik al heb. Ik raak in de war. Ik wil aan het jongetje vragen of het erg is, maar ik zie hem ineens niet meer. Ik moet aan de andere mensen vragen of ze hem hebben gezien, maar dan realiseer ik me dat ik niet eens weet hoe hij heet. Wat ben ik nu voor een moeder? Ik begin te huilen. Er komen allemaal mensen. Ze helpen me met zoeken, maar het jongetje is nergens. Daarom moet ik bij de directeur komen. Wat zal hij doen? Zal hij de politie bellen? Hoe moet ik dit in vredesnaam nog uitleggen? Ik draai me om en vlucht weg, een lang kronkelig schap in. Ik kom uit bij de tijdschriften. Daarachter zijn normaal de kassa&aposs en de uitgang, maar nu niet. Het ruikt Oosters en overal lopen Aziatische mensen. Er hangen rode lampionnen aan het plafond en iedereen eet met stokjes uit zwarte kommen. Noedels met gele badeendjes. Ze moeten er flink op kauwen. Op de grond ligt een felgekleurd pakje instant noodles. Ik raap het op.

"Hallo, kun je mij horen? Gaat het een beetje?" Ik doe mijn ogen open en meteen is daar de stekende hoofdpijn weer. Ik vang nog net een glimp op van het gezicht van een Aziatische man met een bril en een witte jas. Met mijn ogen dicht doet het niet zo&aposn pijn. &aposDaar ben je dus&apos kreun ik gerustgesteld. "Mag ik nu dan eindelijk weten hoe je heet?"



Geïnteresseerd?

Neem contact op of deel deze pagina met anderen

© 2019 Bianca de Vrind-Zegers contact